Het gerechtshof in Amsterdam
HOORN – Het Openbaar Ministerie (OM) heeft donderdag 8 oktober in hoger beroep een gevangenisstraf van 34 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, geëist tegen een 42-jarige dansleraar uit Hoorn. De man wordt verdacht van ontucht met twee minderjarige leerlingen tussen juli 2012 en september 2013. Daarnaast wil het OM dat de verdachte gedurende vijf jaar geen dansles meer mag geven aan minderjarigen. Een eerdere poging om dat beroepsverbod onmiddellijk te laten ingaan, mislukte door een juridische fout.
De zaak werd donderdag behandeld door het gerechtshof in Amsterdam. De verdachte ging in hoger beroep tegen een vonnis uit 2023, waarbij hij werd veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf en een beroepsverbod van vijf jaar.
Het Openbaar Ministerie wil opnieuw voorkomen dat de man tijdens het lesgeven in contact komt met minderjarige leerlingen. Daarom is in hoger beroep nadrukkelijk gevraagd om een direct uitvoerbare bijzondere voorwaarde, zodat hij ook tijdens een eventuele cassatieprocedure geen les mag geven aan kinderen.
Misbruik tijdens danslessen en wedstrijden
De verdachte had een dansschool in Hoorn en gaf onder meer les aan dansparen. Hij was daarnaast verantwoordelijk voor een formatiegroep waarin zowel minderjarige als volwassen dansers actief waren.
De twee slachtoffers maakten deel uit van deze groep. Zij kregen regelmatig trainingen en namen deel aan danswedstrijden op verschillende locaties in Nederland.
Volgens het Openbaar Ministerie maakte de dansleraar misbruik van zijn positie tegenover de twee minderjarige leerlingen.
De strafbare feiten zouden zich op verschillende momenten en locaties hebben voorgedaan in de periode van juli 2012 tot en met september 2013.
Beide slachtoffers waren destijds minderjarig.
Rechtbank legde in 2023 drie jaar cel op
De rechtbank veroordeelde de dansleraar in 2023 tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Daarnaast kreeg hij een beroepsverbod van vijf jaar opgelegd.
De uitspraak was overeenkomstig de destijds geformuleerde eis van het Openbaar Ministerie.
Het beroepsverbod hield in dat de man gedurende vijf jaar geen dansles mocht geven aan minderjarigen.
De rechtbank wilde dat deze maatregel onmiddellijk zou ingaan, ook wanneer de verdachte tegen zijn veroordeling in hoger beroep zou gaan.
Dat bleek juridisch niet mogelijk. Een beroepsverbod als bijkomende straf kan pas worden uitgevoerd wanneer een strafzaak onherroepelijk is afgerond.
Omdat de verdachte hoger beroep instelde, kon het verbod niet worden uitgevoerd.
Dansleraar kon ondanks verbod blijven lesgeven
De fout in het vonnis had tot gevolg dat de verdachte zijn werkzaamheden als dansleraar mocht voortzetten, ondanks het uitgesproken beroepsverbod.
De rechters ontdekten een dag na het vonnis dat de maatregel niet onmiddellijk uitvoerbaar was.
Omdat een rechter een eenmaal uitgesproken vonnis niet zomaar inhoudelijk mag aanpassen, kon de fout niet meer worden hersteld.
De rechtbank informeerde destijds het Openbaar Ministerie en de advocaat van de verdachte via een aanvullend proces-verbaal.
De slachtoffers werden echter niet afzonderlijk geïnformeerd over het feit dat de man zijn werkzaamheden mocht voortzetten.
Zij waren wel op de hoogte gebracht van de veroordeling en het hoger beroep, maar niet van de gevolgen die de juridische fout had voor de uitvoering van het beroepsverbod.
Rechtbank erkende fout na onderzoek journalist
De kwestie kwam opnieuw in de publiciteit nadat een onderzoeksjournalist van het Noordhollands Dagblad ontdekte dat de dansleraar nog altijd werkzaam was.
Dat leidde tot vragen over de geldigheid van het beroepsverbod en de communicatie richting de slachtoffers.
Op 24 september 2026 bracht de rechtbank een verklaring naar buiten waarin zij de fout erkende.
De rechtbank liet weten het te betreuren dat het beroepsverbod niet uitvoerbaar was en dat hierover destijds onvoldoende duidelijk was gecommuniceerd.
Volgens de rechtbank was het nadrukkelijk de bedoeling geweest de verdachte onmiddellijk te verbieden nog les te geven aan minderjarigen.
De rechters hadden bij de oorspronkelijke uitspraak namelijk ernstig rekening gehouden met het risico dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zou kunnen plegen.
Openbaar Ministerie erkent eigen verantwoordelijkheid>
Het Openbaar Ministerie erkent dat ook de oorspronkelijke strafeis juridisch anders geformuleerd had moeten worden.
Tijdens de behandeling in 2023 had de officier van justitie geëist dat het beroepsverbod onmiddellijk zou ingaan.
De rechtbank nam die eis over, maar naderhand bleek dat de gekozen constructie wettelijk niet uitvoerbaar was.
Het OM betreurt dat dit destijds niet goed is gegaan.
In hoger beroep is daarom gekozen voor een andere juridische aanpak, waarmee moet worden voorkomen dat dezelfde situatie zich opnieuw voordoet.
OM wil onmiddellijk verbod op lesgeven
Naast de gevangenisstraf en het beroepsverbod heeft het Openbaar Ministerie het gerechtshof gevraagd een bijzondere voorwaarde op te leggen.
Die voorwaarde moet inhouden dat de verdachte gedurende de proeftijd van drie jaar geen dansles mag geven aan minderjarigen.
Het OM wil dat deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Dat betekent dat de maatregel direct na het arrest van het gerechtshof kan ingaan, ook wanneer de verdachte vervolgens in cassatie gaat bij de Hoge Raad.
Volgens het OM is deze constructie noodzakelijk om te voorkomen dat de verdachte gedurende een langdurige juridische procedure opnieuw dansles kan geven aan minderjarige leerlingen.
Wanneer de straf uiteindelijk onherroepelijk wordt, moet daarnaast het afzonderlijke beroepsverbod van vijf jaar gaan gelden.
Vijf jaar geen dansles aan minderjarigen
Het gevorderde beroepsverbod richt zich specifiek op het geven van danslessen aan minderjarigen.
Het Openbaar Ministerie wil daarmee voorkomen dat de verdachte vanuit zijn functie opnieuw in een positie terechtkomt waarin hij verantwoordelijk is voor kinderen en jongeren.
Het verbod moet volgens de eis vijf jaar duren, gerekend vanaf het moment dat de veroordeling definitief is geworden.
De bijzondere voorwaarde die het OM nu aanvullend heeft gevraagd, moet de periode overbruggen waarin nog juridische procedures mogelijk zijn.
Of deze voorwaarden daadwerkelijk worden opgelegd, is aan het gerechtshof.
Gerechtshof moet opnieuw uitspraak doen
De verdachte heeft door het instellen van hoger beroep een nieuwe beoordeling van zijn strafzaak gevraagd.
Het gerechtshof moet bepalen welke feiten bewezen kunnen worden en welke straf en aanvullende maatregelen passend zijn.
Bij de nieuwe strafeis staat voor het OM niet alleen de bestraffing van het vermeende misbruik centraal, maar ook de bescherming van minderjarige leerlingen.
De straf van 36 maanden die in 2023 werd opgelegd, is door het hoger beroep nog niet definitief geworden.
Het Openbaar Ministerie heeft in zijn berichtgeving zowel een eis van 34 maanden als een eis van 36 maanden genoemd. In de aanhef van het officiële persbericht wordt gesproken over 34 maanden, waarvan zes voorwaardelijk.
Het gerechtshof zal op een later moment uitspraak doen. Tot die tijd is nog niet bekend of de rechters het gevraagde onmiddellijke lesverbod en de overige strafeisen overnemen.

